Geachte minister van der Steur,
Wat een teleurstellende reactie stuurt u de Kamer naar aanleiding van mijn e-mail over het onderzoek naar de positie van de niet-verzorgende ouder in het omgangsrecht. U bewierookt vooral de inspanningen van de Staatssecretaris van VWS en uzelf rondom (het voorkomen van en beperken van schade bij kinderen door) vechtscheidingen. Dat is prachtig, maar u reageert niet op de zeer verontrustende uitkomst van het onderzoek, namelijk dat een ouder die bewust de omgang van het kind met de andere ouder frustreert, door de familierechter wordt beloond! Nota bene door de niet-verzorgende ouder, bijna altijd de vader, de omgang met zijn eigen kinderen te ontzeggen!
Uit het onderzoek komt ook naar voren dat de verzorgende ouder – in Nederland is dat meestal de moeder*) – geen strobreed in de weg wordt gelegd wanneer zij consequent de omgang frustreert. Zelfs als er een regeling door de rechter is vastgesteld. Inderdaad staan de rechter allerlei mogelijkheden ter beschikking om omgang af te dwingen, zoals u ook aangeeft in uw reactie. Echter in de praktijk legt de rechter zeer zelden een sanctie of boete op, ook dat blijkt uit het onderzoek. De familierechter meet met twee maten waardoor het voor de beslissing over een omgangsconflict nogal uitmaakt of je de vader of de moeder bent.
*) Na een scheiding woont ongeveer 75% van de kinderen bij de moeder, slechts 6% woont bij de vader, de overige 20% zijn co-ouder gezinnen (bron: ‘scheidingsonderzoekers Ed Spruijt en Helga Cosmos). De verzorgende ouder is dus bijna altijd de moeder, de niet-verzorgende of uitwonende ouder bijna altijd de vader. Uit het onderzoek waar het in dit stuk over gaat, komt expliciet naar voren dat in het bijzonder vaders een achtergestelde positie hebben in omgangskwesties.